Dit doek getiteld, ‘Vader en Zoon’ ontstond in dezelfde periode als ‘Deluge’. Nadenkend over allerlei aspecten van de oorlogen in de Balkan vroeg ik mezelf af hoe het zou zijn om je kind te dragen als je op de vlucht bent, hoe lang hou je dat vol? En wat kun je dan verder nog dragen? En als je twee kinderen hebt hoe gaat dat dan?
Een mooi ‘voor’-beeld vond ik in Nineteenth Century Art, a Critical History onder redactie van Stephen F. Eisenman. Op pagina 34 wordt een schilderij afgebeeld van een oudere bebaarde man die in de avondschemer een berg afdaalt. Hij draagt een jongen van een jaar of zes , (de leeftijd van mijn oudste zoon op dat moment). Het onderschrift luidt; ‘naar François Gérard’ en de titel is ‘Belisarius’. Ik moet toen in de tekst gelezen hebben dat deze ‘Belisarius’ verwijst naar de versie van David van 14 jaar eerder en dat Gérard het verhaal van de blinde Romeinse generaal aandikt door de jongen te laten overlijden aan de gevolgen van een slangenbeet. De blinde generaal draagt een stervende jongen door een verlaten wildernis. Maar de tekst deed, toen nog, minder voor me dan teksten dat nu doen, ik reageerde vooral op het beeld. Het kleine zwart-wit plaatje in het boek werd aanleiding en ik zie nu pas, na 20 jaar,kijkend naar afbeeldingen op het internet, dat een slang zich om de enkels van de jongen heeft gewikkeld! En ook de kleurstelling verrast me, van het avondrood of ochtendgloren heb ik een donkere nacht met branden en ontploffende gasnevels gemaakt.

Dit schilderij werd in 2000, op de KunstRai bij Galerie Willy Schoots getoond. Helga Hofman, die met haar galerie ook op de beurs was, kocht mijn ‘Vader en Zoon’. ‘Ik zal hem nooit wegdoen,’ riep ze theatraal uit, ‘hij is mijn Engelbewaarder!’
Schoots’ Roland Janssen vertelde altijd hoe belangrijk het was om met meerdere galerieën samen te werken, om gezamenlijk te kunnen bouwen aan de carrière van een kunstenaar en meer armslag te hebben om catalogi te maken en taken te verdelen. En zo gebeurde het dat ik in 2002 exposeerde in de galerie van Helga Hofman in Alphen aan den Rijn. Ik had wel wat twijfels uitgesproken omdat ik me niet zo goed kon identificeren met haar beleid , maar Roland zei; ‘ze is een verkoop-kanon, ze verkoopt alles van Armando.’ Toen dacht ik; ‘ik waag het er op, je weet nooit!’ De galerie bevond zich in de middenruimte van een bedrijven-verzamelgebouw en het installeren van de werken,(erg veel vanwege de te vullen gangen en de grote binnenruimte) was een flinke klus. Op de dag van de opening werd ik aangesproken door een echtpaar dat melding maakte van de aankoop van een groot schilderij, een doek waar ze erg blij mee waren. Helga had er zo enthousiast over verteld dat ze niet anders konden dan het kopen! Het was voor hen in een moeilijke periode een echte ‘Engelbewaarder’.
Misschien zijn er nog wat kleine dingetjes verkocht, maar dit is hoe ik het me herinner, dat ze haar schilderij toevoegde aan de expositie om het door te kunnen verkopen. ( Uiteraard was dat een exclusieve transactie tussen galerist en klant, ik werd er niet beter van, maar moest wel beleefd en enthousiast met de nieuwe eigenaars in gesprek). Dat was de eerste keer dat ik op een harde manier met het ‘handel- aspect’ van de beeldende kunst in aanraking kwam. Het schilderij is uit mijn zicht verdwenen en ik zou het graag nog eens terug zien.

Het doek van Gérard kwam ik weer tegen in het prachtige boek van Thomas Crow Emulation, making artists for revolutionary France dat ik vorig jaar kocht. Op de omslag een tekening van Ingres met de twee hoofden van ‘Belisarius/ naar Francois Gérard’ met de ondertekening ‘aangeboden aan M. Leon Bonnat, 30 januari 1887’.
In zijn introductie schrijft Thomas Crow; ‘Hier volgt een geschiedenis over vermiste vaders, over vaderloos achtergelaten zonen en de door hen gezochte voorbeelden. Deze zonen waren schilders, en samen brachten ze een groot project in de kunst tot stand, een project waarbij de gepassioneerde verbeelding van de ‘Antieken’ hen keer op keer deed belanden op terreinen van verwantschap en overdracht. Hun innerlijke emotionele drama’s en hun denken waren op hun beurt onlosmakelijk verbonden met grotere drama’s , de crisis en omwenteling van een totale sociale orde, waarbij een koning als vertegenwoordiger van vaderlijk gezag ter dood werd gebracht en een republiek van mannelijke broederschap werd geproclameerd.’
Het is een heerlijk boek, over denkbeeldige en echte wezen die vanwege hun ambitie en talent steun ontvingen van tweede vaders en bij elkaar. Een metaforisch universum van sterke patriarchen en aanbeden mannelijke adolescenten in hun gezamenlijke streven naar ‘grandeur’. En het atelier als ‘huis’ van de nieuwe familie.
Het is ook een verhaal van emulatie, het hergebruik en de evolutie van sterke beelden,van opeenvolging en veranderende verhaallijnen. Van de ‘Belisarius, bedelend om een aalmoes‘ van David uit 1781, via de ‘Belisarius’ van Gérard uit 1795, Guerin’s ‘Terugkeer van Marcus Sextus’ uit 1799, Girodet’s ‘scene van een zondvloed’ uit 1806 tot de oude man met dode zoon op ‘het Vlot van de Medusa’ van Géricault uit 1819
Ruim twintig jaar geleden las ik het boek van Eisenman en ontstond het schilderij. Nineteenth Century Art, a Critical History verscheen in 1994 en het eerste hoofdstuk getiteld ‘Patriotism and Virtue: David to the Young Ingres’ is geschreven door Thomas Crow, wiens ‘Emulations’ ik vorig jaar las. Dit boek is in 1996 verschenen! Twee jaar en twintig jaar wat maakt het eigenlijk uit? Nu was ik toe aan verdieping, toen had ik genoeg aan het plaatje.