Blog Image

Reflecties en herinneringen

Een dwaaltocht op zoek naar gele figuren.

Le Nain Jaune Posted on Wed, January 16, 2019 14:55:24

In de tweede blogtekst over “Le Nain Jaune” heb ik het kort gehad over Henry Harland en de Yellow Books. Harland was literair redacteur , artistiek redacteur was Max Beerbohm en met hem wil ik deze tekst beginnen.

In oktober 1896 werd Beerbohm’s verhaal “The Happy Hypocrite” gepubliceerd in deel 11 van de reeks gele boeken. Lord George is verliefd op Jenny, een jonge theateractrice. Cupido in de vorm van een gele dwerg schoot een pijtje in zijn hart. Hoewel ze de aandacht van de narcistische Lord George niet onprettig vindt wil ze zich alleen binden aan een man met een heiligengezicht en dito karakter. Lord George bedenkt een list en bezoekt meneer Aeneas, een maskermaker die een mooi, artistiek masker voor hem maakt. Met het heiligenmasker op begeeft Lord George zich naar Jenny. Beerbohm verzacht in de tekst het bedrog van George door er het motief van liefde voor de kunst en schoonheid aan te verbinden, het masker verandert niet alleen het uiterlijk maar ook het karakter van de drager. George trouwt met Jenny en ze leven als een harmonieus stel in een schattige kleine cottage. Op een dag komt er een jaloerse ex-minnares van George voorbij en trekt het masker van zijn gezicht, tot George’ s eigen verbazing heeft het masker zijn werk gedaan. ( 1)

The Yellow Dwarf van Max Beerbohm en rechts ‘The Yellow Kid’ van Richard Felton Outcault.

The Yellow Kid ( 1896-1898) bedacht en getekend door Richard F. Outcault was een van de eerste grote krantenstripfiguren. Aanvankelijk was the Kid een van de straatkinderen uit de overvolle sloppenwijken van New York. Hij droeg toen nog, bij gebrek aan andere kleding,een blauwe nachtpon van een oudere zus. Op een dag stelde Charles Saalburg, (verantwoordelijk voor het inkleuren van de strips) , voor om het nachthemd geel te maken. Op dat moment een experiment omdat de gele inkt nog niet volledig droogde. Maar het vergrootte de zichtbaarheid van de jongen met de hazentanden en de flaporen zodanig dat het werd voortgezet. Outcault zag The Yellow Kid nadrukkelijk als een type en niet als een individu, een type zoals hij hem vaak tegenkwam als hij onderweg was voor de krant. De kinderen halen kattekwaad uit, praktiseren blijmoedig het nodige gooi- en smijtwerk en spreken in een fonetische taal. Deze taal, het gebruik van het gele nachthemd, als ondergrond voor de uitspraken van de Kid en het gebruik van tekstbalonnen was vernieuwend en sprak het, grotendeels uit recente immigranten bestaand, lezerspubliek van de krant aan. Een andere vernieuwing was de gewoonte om The Yellow Kid direct op het actuele nieuws te laten reageren. Politieke cartoonisten deden dat al langer, maar in comics was dat nieuw.

Ondanks zijn populariteit werd The Yellow Kid in 1889 het slachtoffer van de politiek. In aanloop naar de Spaans-Amerikaanse oorlog waren de kranten van William Randolph Hearst mede-verantwoordelijk voor de opgeklopte oorlogssfeer. Bij alle retoriek hoorde ook dat de Spaanse geel en rode vlag met haatgevoelens te maken kreeg. Het gele nachthemd maakte The Yellow Kid in deze sfeer kwetsbaar en droeg bij aan het besluit van Outcault om het voor gezien te houden. ( 2)


´The Big Type War of the Yellow Kids´ spotprent door Leon Barret gepubliceerd in Vim Magazine 1889. (3)

Joseph Pullitzer van ´The New York World´ en William Randolph Hearst van ´The New York Journal´ , (kranten waarin de Yellow Kid strips zijn verschenen ) bouwen een blokkentoren en kibbelen over de vraag wiens oorlog het is. Beide kranten publiceerden berichten over Spaanse misdaden begaan tegen het onderdrukte Cubaanse volk ,en pleitten voor Amerikaanse interventie om hen te beschermen. In deze berichten maakten de kranten gebruik van valse namen, data, en plekken waar schermutselingen en misdaden waren begaan. Ook werd er gelogen, vooral over de bewering dat de feiten werden bekrachtigd door de Amerikaanse regering. Meer dan 100 jaar neo-conservatieve beïnvloeding van de publieke opinie en regeringsbeleid. Wat is er eigenlijk veranderd?

Een nieuwsgierig aapje.

Hans Reyersbach werd in 1898 geboren in Hamburg en leerde Margarete Waldstein ( geb. 1906) kennen op een feestje ter gelegenheid van de 16e verjaardag van Margarethe’s zus. Hans leefde in Brazilië toen hij daar in 1935, de voor de nazi’s gevluchte, Margarethe weer ontmoette. Ze trouwden en gingen als het echtpaar Hans Augusto Rey and Margret Rey voor een ( uiteindelijk vier jaar durende) huwelijksreis naar Parijs. De dierentekeningen van Hans vielen in de smaak bij Parijse uitgevers en een van hen gaf hem opdracht een kinderboek te maken. Dat werd ‘Rafi et les Neufs Singes’. In het boek kwam een nieuwsgierig aapje genaamd Fifi voor. De Reys besloten om een speciaal boek aan dit aapje te wijden. Bij de opmars van het Duitse leger besloten de Reys, omdat ze als joods echtpaar gevaar liepen, in juni 1940 te vluchten uit Parijs. In diverse teksten over de Reys kom ik ‘self-made bicycles, tegen, ook ‘Hans assembled two bicycles’ en dat maakte me nieuwsgierig. Hoe maakten ze van twee fietsen één fiets en hoe zag deze er uit? Uiteindelijk vond ik dit beeld uit een documentaire over het echtpaar( 4)

Een tandem! Zouden ze hebben nagedacht over het om de beurt rusten en toch blijven voortbewegen? Zou de een tijdens het rusten zich tegen de ander aan hebben gevleid? Zouden ze ook ’s nachts hebben doorgefietst? Op de tandem, met alleen winterjassen en de manuscripten voor vier kinderboeken op de bagagedrager , reisde het echtpaar naar het zuiden van Frankrijk. In Bayonne ontvingen ze van Braziliaanse viceconsul visas om de Spaanse grens te kunnen passeren. Vandaar ging de reis naar Lissabon en vervolgens terug naar Brazilië. Van daaruit reisden ze door naar New York. In 1941 verscheen daar het eerste Curious George verhaal (5)



( 6) Curious George rides a bike. En The man with the Yellow hat

De vaste begeleider van George en degene die hem controleert en opvoedt is “The man with the Yellow Hat”. Deze man met de gele hoed vangt George in Afrika ( “One day George saw a man, he had on a yellow large straw hat. The man saw George too. “What a nice little monkey”, he thought. “I would like to take him home with me”. He put his hat on the ground, and, of course, George was curious. He came down from the tree to look at the large yellow hat”.) en neemt hem mee naar Amerika waar George vanwege zijn nieuwsgierigheid voortdurend in problemen komt. Het verhaal is van aanvang uitermate succesvol en er volgt een hele reeks boeken. Deze worden nog steeds herdrukt en geactualiseerd, er worden animaties, films en televisiefilms gemaakt. (De eerste televisie serie werd in 1980 uitgezonden en ik ben geneigd te denken dat de Amerikaanse kunstenaar Mike Kelley hieraan refereert met zijn karakter Mr Bananaman. Hier zal ik een volgende blogtekst op ingaan). Ter illustratie van de voortdurende populariteit van Curious George and the Man with the Yellow Hat, hier een tweetal foto’s met halloweenkostuums ( 7)


Wegrijden op de fiets.

Het vluchtverhaal van Hans en Margret Rey deed me denken aan een boek dat in mijn puberteit een grote indruk op me maakte. Het boek heet ‘de Russkoffs’ en is geschreven door Francois Cavanna. In mijn herinnering besloot de hoofdfiguur in die zelfde junidagen de fiets te pakken en Parijs te ontvluchten, voor het Duitse leger uit. Het idee om op de fiets te stappen en niet naar school te gaan maar door te fietsen, mijn neus achterna, blijft me nu nog bij, 40 jaar nadat ik het boek las. Hoe zat het ook alweer? Ik kocht het boek tweedehands en begon te lezen. En kwam er achter dat mijn herinnering en de interpretatie lang geleden een alternatief verhaal hadden gemaakt.

François , net 16 jaar geworden, is de zoon van Italiaanse immigranten. Hij wil niet meer naar school, hij wil werken. Zijn vader is metselaar en wil net als veel gastarbeiders van de eerste generatie dat zijn zoon het beter krijgt dan hijzelf. François krijgt een baantje op een postkantoor in Parijs en werkt daar nog maar kort als de oorlog begint. De directeur van het postkantoor roept de werknemers bij elkaar; “De moffen zitten bij Meaux. Jullie gaan allemaal als de bliksem naar huis om je spullen te halen, alleen het hoogst nodige. Over drie uur staat er een bus die jullie naar het zuiden brengt. Orders van de regering. Er zullen strafmaatregelen worden genomen tegen weigeraars.” De directeur vervolgt ;”ik kan niet met jullie mee. Ik heb orders gekregen in het postkantoor te blijven en het hoofd te bieden aan wat komen gaat”. “Een held, nou ja bijna. Had ie maar geen pantoffels aan tijdens zijn werk. Maar hij heeft tere voeten”, merkt Cavanna cynisch op. Natuurlijk komt er geen bus, de directeur zegt; “Degenen met fietsen, moeten maar gaan fietsen. De rest moet dan maar met de trein, als ze die nog kunnen halen, anders gaan ze maar te voet. Verzamelen in Bordeaux, bij het Hoofdpostkantoor. Probeer zoveel mogelijk bij elkaar te blijven”. En zo gaat Francois met de fiets op weg, komt in een chaotische uittocht terecht, wordt uiteindelijk toch door het Duitse leger ingehaald en komt een paar weken later weer thuis. Het echte verhaal van de Russkoffs begint meteen op de eerste bladzijde van het boek, getiteld ‘de Slavenmarkt’. François is als dwangarbeider opgeroepen om in Duitsland te gaan werken, hij staat aan een machine die onderdelen voor granaten maakt. Het hoofdonderwerp van het boek is de ervaring van drie jaar gevangenkamp, honger, overleven en sterven op grote schaal, de kennismaking met zijn grote liefde de Oekraïense Maria en de steeds dichterbij komende ondergang van Duitsland, gevolgd door een dwaaltocht terug naar huis, Maria is opgepakt door het Russische leger en François kan haar niet meer vinden. Het boek is opgedragen aan ‘Maria Jossifovna Tatartsjenko, waar ze ook mag zijn’. En de laatste regels gaan als volgt; “Eens zal ik, hoe weet ik niet, daar naartoe gaan. Naar de Oekraïne, naar Charkov. Ik zal haar terugvinden. Intussen neem ik Russische les. En ik ben weer begonnen met werken. Je moet toch leven, want doodgaan doe je niet”. ( 8)

De oorlogservaring heeft Cavanna gevormd tot iemand die alle macht wantrouwt, achter de schermen heeft leren kijken, iemand die door alle retoriek heen prikt. Na de oorlog begint hij strips te tekenen voor het dagblad Le Déporté du travail, het blad van de Vereniging van Gedeporteerde Arbeiders. Hij blijft tekenen voor de satirische pers, onder andere voor Zéro, La Presse Aux Oeufs D’Or ( de Pers met de gouden eieren) Daar leert hij Georges Bernier kennen. Samen met hem richt hij in 1960 het satirisch weekblad Hara-Kiri op en in 1970 haar opvolger Charlie Hebdo.



Omslag van de Russkoffs. En een speciale Père-Lachaise editie van Charlie Hebdo, 5/02/2014, gewijd aan François Cavanna 1923-2014.

1. https://y90sclassroom.blog.ryerson.ca/2018/04/10/defending-cosmetics-and-decadence-in-max-beerbohms-the-happy-hypocrite/

2. R. F. OUTCAULT’S THE YELLOW KID A Centennial Celebration of the Kid Who Started the Comics. Introduction by Bill Blackbeard, Kitchen Sink Press.

3. Geheel ter zijde maar erg grappig, over het originele Vim Magazine kan ik niets vinden, maar wie van breedgespierde appetijtelijke heren in zwembroek houdt komt royaal aan zijn of haar trekken!

4. https://www.newsweek.com/curious-george-monkey-business-film-documentary-652534

5 http://archive.boston.com/news/globe/living/articles/2005/09/17/a_curious_tale_of_georges_creators/

6. Originele tekening voor een van de 7 Curious George verhalen, met een opdracht van H. A. Rey aan ‘Nancy,who was too old for this book when it was first published, but who is now the right age, with love, from her ancient friend’. https://natedsanders.com/curious_george_first_edition__signed_by_h_a__rey_w-lot42430.aspx

7. Het Curious George verhaal wordt tegenwoordig natuurlijk met kritische ogen gelezen. Er zijn vele blogs met kritische aantekeningen zoals over de ouderlijke vaardigheden van de man met de gele hoed, over kolonialisme, kapitalistische toe-eigening en andere onderwerpen.

8. De Russkoffs, Francois Cavanna, 1980 Uitgeverij Lotus Antwerpen



Ontwikkeling van de gele dwerg

Le Nain Jaune Posted on Mon, January 07, 2019 13:04:32

Zoals ik in de eerste tekst over Le Nain Jaune aangaf vermoed ik dat de naamgever van het satirische tijdschrift is te herleiden naar de sprookjesfiguur van Madame d’Aulnoy. In deze tekst probeer ik ordening aan te brengen in de vele, in de tijd ontstane, varianten van de gele dwerg. Er is een lijn waarneembaar waarbij de naam onderdeel wordt van politieke en literaire tijdschriften en teksten. Er is ook een lijn die het sprookjesverhaal als aanleiding neemt en dit verder uitbouwt. En er is een naamgenoot van de gele dwerg wiens verhaal een dramatische wending krijgt.

Het eerste tijdschrift bestond van 1814 tot 1815, ging in Brussel een korte tijd door als ‘Le Naine Jaune Refugié’ en staakte de publicatie in 1816. In dat jaar werd Le Nain Tricolore, ou Journal Politique, des Arts, des Sciences et de la Littérature opgericht , een tijdschrift met bonapartistische sympathieën. Als snel werd de gehele redactie in een proces veroordeeld tot deportatie en verbleef 3 jaar in de abdij van Mont- Saint-Michel.

‘De drie literaire dwergen, of de onechte kinderen van de gele dwerg twisten over het stoffelijk overschot’.

Het voorwoord van het januarinummer van 1816 beschrijft wat de prent van de drie vechtende dwergen verbeeldde: “ Le Nain Blanc overleefde zijn prospectus niet, Le Nain Verte is wat minder bekend als de Groene Reus en Le Nain Rose zouden we vanwege de kleur van zijn enveloppe de dwergpapaver moeten noemen. Ze circuleren nog steeds zonder weerstand en zowat zonder lezers. Door hun bestaan ​​aan het publiek bekend te maken pretendeer ik niet om hun titel of kleur te verhelderen. Als enige zoon en erfgenaam van Le Nain Jaune , groot geworden in haar werkelijk Franse school, moet ik zeggen waarom ik nieuwe kleuren draag, aangezien ik in principe hetzelfde ben. ” Een verhandeling over de betekenis van de kleuren rood-wit-blauw volgt en het voorwoord besluit met; “alles voor het Vaderland en de Waarheid, dat is mijn devies en daaraan blijf ik trouw”. (1)

Een Engelse versie komt in 1818 uit ‘The Yellow Dwarf, a Weekly Miscellany’, een krant onder redactie van John Hunt, No 19, Catherine Street, Strand. (2) Ik vindt nog meer informatie over hem in een tijdschrift dat ‘The Law Advertiser’ heet onder het kopje ‘Insolvent debtors’. Hunt wordt genoemd als boekverkoper en uitgever van ‘the Examiner, London Weekly Newspaper’ ,blijkt actief te zijn geweest op vele adressen in London. Hij heeft zelfs enige tijd in Rouen gewoond, ik ben benieuwd of hij daar ook professioneel actief is geweest. (3)

Het eerste nummer van The Yellow Dwarf bericht onder andere over een rechtzaak tegen een collega-uitgever, mr. Hone, die parodiën op de eredienst van de Church of England zou hebben gepubliceerd. Het stuk zet kanttekeningen bij de aanklacht en voert argumenten aan om aan te tonen dat deze juridisch niet in orde is. Ook gaat hij in een artikel in op een uitspraak van J.B.M. Jollivet, gedeputeerde van de Assemblée Nationale, over de persvrijheid. “Persvrijheid is minder noodzakelijk in een Representatieve Regering dan in andere regeringsvormen. De pers vertegenwoordigt het enige instrument waarmee de waarheid kan worden bekend gemaakt, maar de menselijke passies zijn te onstuimig om de pers de vrijheden te geven die sommigen eisen. De enige vertegenwoordiging ligt bij de Koning”

Op 16 mei 1863 verscheen er in Frankrijk een nieuwe gele dwerg, dit keer als krant, met als hoofdredacteur Aurélien Scholl, deze Nain Jaune zou tot 1876 bestaan. Een illustratie in de kop van de krant van 2 augustus 1865 toont een dwerg di, gewapend met een kruisboog, opstaat uit zijn graf daarbij gadegeslagen door een groep burgers. (4) Ondanks dat de satirische lijn werd doorgezet was de krant minder politiek dan de eerste Nain Jaune en verlegde het accent naar de literatuur. Een imposante rij namen droeg bij aan deze publicatie, onder andere Théodore de Banville, Henry Rochefort ( ook bekend door het portret dat Manet van hem maakte), Emile Zola en Victor Hugo. Op een bepaald moment wordt ook Jules-Antoine Castagnary ( bevriend met Courbet, zie blogteksten 1 en 2) hoofdredacteur van het blad.

Sinds kort ben ik in het trotse bezit van “Album des Bêtes à l’usage des gens d’esprit” Een uitgave van Aurélien Scholl met teksten van hemzelf en van Charles Joliet. En 3 katerns met tekeningen van Grandville en Kaulbach. Als uitgevershuis staat vermeldt; Paris, Aux Bureaux du Nain Jaune, 1864.

De schilderende aap op het titelblad rookt een pijp met de afbeelding van Napoleon !


De reis van het sprookje.

Vanwege de grote populariteit van Madame d’Aulnoy’s sprookje werden er al in de 18e eeuw vertalingen gemaakt voor een Engels publiek. Deze richtten zich aan de ene kant op een publiek van adellijke dames en dames uit de gegoede burgerij,aan de andere kant werd het sprookje herschreven voor een publiek van kinderen. Over de vele verschillende uitgaven en de veranderingen in verhaallijn is een heel uitgebreid artikel geschreven door Évanghélia Stead. (5) Le Nain Jaune wordt The Yellow Dwarf en Toutebelle wordt princess All-Fair . Soms wint de dwerg maar in andere versies (ook om de tere kinderziel te ontzien) wordt de strijd gewonnen door de prinses.



Uitgaven in de reeks Walter Crane’s toybooks en een van Crane’s kleurenhoutsneden.

Al vrij snel werd het verhaal ook inspiratiebron voor een aantal theatervoorstellingen,pantomimes genoemd, waarvan ‘The Yellow Dwarf or Harlequin Cupid and the King of the Goldmines’ door Henry J. Byron de bekendste is. De eerste opvoering was in Covent Garden,London in 1869.

In het theaterspel wordt de rol van Gele dwerg als volgt gekarakteriseerd; “not the pink of politeness, but the in-carnation of villainy”. ( Niet het roze van de beleefdheid maar de belichaming van schurkachtigheid)

Refrein uit een van de liederen:

Bad,bad,bad as he can be,
Here in me one you see;
Most atrocious
In what’s wrong, and never right
I delight, boys, I delight
The Yellow Dwarf as bad as you could wish for,
Yes, I’m a fellow of the deepest dye,
The very deepest dye
Though I’m yellow

Er bestaan vele verschillende theaterversies zoals ‘The Yellow Dwarf or Harlequin and the son of the sunflower” van G.D.Pitt, en ‘Harlequin (and the) Yellow Dwarf or the enchanted Orangetree and the King of the Goldmines’, van T.L. Greenwood om er een paar te noemen. Een mooi voorbeeld van ‘appropriation art, artistieke toe-eigening, in een tijdperk van beperkte copyrights.

De rol van Gele Dwerg in een theaterproductie geschreven door James Robinson Planché werd gespeeld door Frederick Robson . Op een schilderij in het Victoria and Albert Museum , London wordt hij afgebeeld als Gam-Bogie. Een mooie verwijzing naar Gamboge, een heldere gele kleur afkomstig van een natuurlijke harssoort en het woord Boogeyman, boeman. Op deze afbeelding van slechtheid rijmt eigenlijk alleen de figuur Roark Jr, the Yellow bastard uit Frank Miller’s Sin City. Een door rijkdom en connecties onaantastbare sadist. Maar dan zijn we heel ver van de sprookjes voor kinderen afgedwaald.


Naamgenoten

In April 1894 verscheen het eerste exemplaar van ‘The Yellow Book’, een reeks uitgegeven door The Boldley Head. Onder leiding van Henry Harland als literair en Aubrey Beardsley als artistiek redacteur werden de gele boeken gevuld met teksten en afbeeldingen die moeilijk plaatsbaar waren bij andere uitgeverijen. Harland leverde vele korte verhalen voor de reeks Yellow Books en had er een handje van om pseudoniemen te gebruiken en de schrijfstijl en onderwerpkeuze per pseudoniem aan te passen. Zo schreef hij drie satirische teksten onder de naam ‘The Yellow Dwarf’. (6)


Het boek van Pascal Jardin gaat over zijn vader Jean Jardin, genaamd Le Nain Jaune. Een boek vol met anecdotes over een gelukkige jeugd en een vader als practical joker. Een familietragedie wordt zichtbaar als kleinzoon Alexandre in het boek “Des Gens Tres Bien” het collaboratieverleden van zijn grootvader, de gele dwerg, tijdens het Vichy Regime onthult. Tijdens de bezetting van Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog was Jean Jardin als kabinetschef verbonden aan de regering van Pierre Laval. Deze politicus, berucht vanwege zijn leidende rol in het Vichyregime en zijn collaboratie met Duitsland, werd kort na de oorlog wegens verraad gefusilleerd. Alexandre Jardin verkent in zijn boek de pogingen van zijn familie om de grootvader voor te stellen als een keurige ambtenaar, een simpele uitvoerder en probeert in het reine te komen met het verleden. (7)

Bronnen.

1. https://books.google.nl/books?id=QN1GAAAAcAAJ&pg=PP9&lpg=PP9&dq=le+nain+tricolore&source=bl&ots=7oXl7Net_N&sig=5PkeDtQx9IYUIwxFj-EzzQusL1k&hl=nl&sa=X&ved=2ahUKEwj31f2H7rXfAhXDb1AKHXgvBy4Q6AEwBnoECAQQAQ#v=onepage&q=le%20nain%20tricolore&f=false

2. (de nrs 1 -21 zijn via Google Books te lezen) https://books.google.nl/books?id=LHoeAQAAMAAJ&pg=PA8&dq=the+yellow+dwarf++j.hunt,no.19+Catherine+street+Strand&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwiNpPLStbbfAhWB2aQKHTRPADgQ6AEIKzAA#v=onepage&q=the%20yellow%20dwarf%20%20j.hunt%2Cno.19%20Catherine%20street%20Strand&f=false

3. https://books.google.nl/books?id=AuMuAAAAIAAJ&pg=PA266&dq=publisher++j.hunt,no.19+Catherine+street+Strand&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwi0593ktbbfAhWMqaQKHeXvCtYQ6AEILzAB#v=onepage&q=publisher%20%20j.hunt%2Cno.19%20Catherine%20street%20Strand&f=false

4. Helaas vind ik slechts kleine afbeeldingen van deze voorpagina, mocht iemand een afbeelding vinden in een hogere resolutie dan houd ik me aanbevolen!

5. Évanghélia Stead, ‘Les perversions du merveilleux dans la petite revue; ou, Comment le Nain Jaune se mua en Yellow Dwarf’, in ‘Anamorphoses decadents: lárt de la défiguration, 1880-1914, etudes offertes a Jean de Palacio’. Presse de L’Université de Paris-Sorbonne, 2002

6. Over Henry Harlands activiteiten en schrijverscarriere in New York, Parijs en London zie Barbara Schmidt’s artikel, http://1890s.ca/PDFs/harland_bio.pdf

7. http://anyhow-anyhow.blogspot.com/2011/01/un-jardin-plein-de-ronces.html



Le Nain Jaune

Le Nain Jaune Posted on Mon, December 17, 2018 11:24:49

Een van de aanleidingen om met dit blog en onderzoek te beginnen was mijn interesse in het combineren van hoge en populaire kunst . Hoe de wisselwerking tussen het elitaire en het volkse gestalte krijgt in de praktijken van beeldende kunstenaars. Het heeft ook alles met engagement en politiek bewustzijn te maken. De eerste keer kwam ik ‘de gele dwerg’ tegen tijdens het doorbladeren van ‘De wereld van Delacroix’ geschreven door Tom Prideaux. Op bladzijde 35 staat een zwart-wit reproductie van een tekening van 3 apen met het bijschrift; ”toen hij nog studeerde aan de École de Beaux Arts (1816-1817) begon Delacroix karikaturen te publiceren in een Parijse krant, Le Nain Jaune, onpartijdige sociale satire. Op Delacroix’ ets krakelen ‘drie letterkundige dwergen’ op een grafsteen waarin de resten van Le Nain Jaune rusten, naar aanleiding van een proces in die tijd waardoor de krant met sluiting werd bedreigd’. ( 1)

(2)

Op een kleurenafbeelding die ik vind op internet is te zien dat de vacht van de dwergen ( of apen) verschillend is gekleurd , ik wil graag denken dat het de kleuren rood-wit-blauw zijn, de kleuren van de Franse vlag. Hoewel het blauw neigt naar viridiaan en dus donkergroen. (2) De middelste aap probeert gele boekjes en witte papieren tegen de grijpgrage handen van de rode en witte aap te beschermen, dat is wat moeilijk omdat hij ook nog een grote ganzenveer en een narrenstaf vast moet houden. De ondertiteling van de prent luidt; les trois Nains Littéraires, ou les bâtards du Nain Jaune, Se disputant ses Dépouilles. Vertaald betekent dit ongeveer ‘De drie literaire dwergen, of de onechte kinderen van de gele dwerg twisten over het stoffelijk overschot’.

In de catalogus die verschenen is ter gelegenheid van de Delacroix expositie in het Louvre ( 3) vind ik een andere afbeelding en hier heeft de middelste aap een grijsblauwe vacht. Dat geeft maar weer eens aan dat het zinvol is om meerdere bronnen te raadplegen. Ségolène Le Men noemt de drie dwergen als vertegenwoordigers van elkaar concurrerende kleinere satirische ‘journals’. Delacroix woonde van 1807 tot 1820 in de Rue du Coq Saint Honoré, het adres waar ook de Martinet Libraire was gevestigd, deze eerste prent zou ‘in huis’ zijn gedrukt.( 3)

Delacroix en de karikatuur is een heel complexe materie, zo wordt er veel geschreven over prenten die gesigneerd zijn met EXXXXX . Een van Delacroix’ vroegste vrienden en eerste biograaf Achille Piron wist zich te herinneren dat Delacroix zou hebben meegewerkt aan twee karikaturen voor ‘Le Nain Jaune’ en in 1930 bevestigde Jean Laran in een artikel voor la Gazette des Beaux Arts dat de 6 letters inderdaad stonden voor Eugene. (4) Tegenwoordig wordt dit niet meer geloofd. Het British Museum, eigenaar van meerdere Delacroix prenten, meldt bij naam van de maker ‘formerly attributed to Delacroix’ .

Ik zal in een latere blog in gaan op Delacroix en de meer dan 20 litho’s die hij maakte voor Le Miroir.

Le Nain Jaune moet een echt collector’s item zijn geweest. Iedere vijf dagen verscheen er een katern van 24 bladzijdes in boekformaat, met iedere maand negen grote, uitvouwbare en handgekleurde karikaturen. (5)

Het tijdschrift werd vooral bekend als bedenker van twee nieuwe koninklijke ‘ordes’, waarmee ze in bedekte termen aanhangers van het voor-revolutionaire regime op de korrel namen. Een van die ‘ordes’ was de Orde van de Windwijzer ( La Girouette). De keren dat een staatsman met nieuwe regimes was meegewaaid bepaalde de hoeveelheid vaantjes waarmee deze werd afgebeeld, zoals te zien is op deze prent met een zeskoppige Talleyrand. De tweede ‘orde’ is ‘de Orde van de Domper’,of kaarsendover . (Chevaliers de l’Eteignoir), hiermee werd ingespeeld op de twee betekenissen van het woord verlichting. De kaarsendover werd een symbool voor de pogingen van ‘de Reactie’ om de klok terug te draaien en de vrijheid te beperken.

De leden van de Orde dragen kaarsendovers als hoed, Le Nain Jaune , 15 februari 1815.

In Juli 1815 werd ‘Le Nain Jaune’ bij Koninklijk decreet opgeheven. De uitgevers vluchtten naar Brussel, (toen onder Nederlands bestuur), en maakten in 1816 met ‘Le Naine Jaune Refugié’ een doorstart. Op deze manier kon het blad via smokkelwegen toch een Frans publiek bereiken. Maar een half jaar later werd de druk op Koning Willem I zo groot dat ook deze versie werd verboden.

Ik vermoed dat de naam van het blad een verwijzing was naar ‘Le Nain Jaune’, een sprookje geschreven door Madame d’Aulnoy in 1698. In tegenstelling tot veel sprookjes overwinnen in dit verhaal niet het brave, maar inhalige, prinsesje Toutebelle en haar ouders maar de wrede slechterik. Beloofd is beloofd en ook prinsesjes kunnen niet zomaar overal mee wegkomen. Ik heb voor dit vermoeden geen enkele verwijzing kunnen vinden maar het lijkt me zeer aannemelijk.

De gele dwerg op een Epinalprent en de naamgever van het tijdschrift

(1) De Wereld van Delacroix, Tom Prideaux , Time-Life Bibliotheek der Kunsten, 1971 Er is veel op dit tekstfragment aan te merken. Le Nain Jaune werd opgericht in december 1814 en werd in juli 1815, onder druk van de censuur, opgeheven. Delacroix’ prent is dus gemaakt na het opheffen van het blad. ‘Onpartijdige sociale satire’ is in verband met een politiek satirisch tijdschrift een vreemde bijzin. En het lijkt me een aardige discussie of de resten van een tijdschrift rusten in een grafsteen of in een graf.

(2) https://gallica.bnf.fr/ark:/12148/btv1b6955849s.item

(3) Delacroix, Musée du Louvre, Éditions Hazan, 2018. ‘Delacroix et L’Estampe, door Ségolène Le Men, pagina 375.

(4) Jean Laran, ‘Péchés de Jeunesse d’Eugene Delacroix’, La Gazette des beaux Arts, janvier 1930.

(5) Censorship of Political Caricature in nineteenth century France, Robert Justin Goldstein, Kent State University Press 1989, pagina 101 e.v.