Wie kent dit werk niet? Het is ‘de arme dichter’ geschilderd door Carl Spitzweg in 1838. Het is met kop en schouders zijn bekendste werk en dat terwijl hij in 1838 nog maar 4 jaar als autodidact kunstenaar actief was. En dat ook nog een halve eeuw zou blijven. Vóór het besluit om kunstenaar te worden werkte Spitzweg als academisch opgeleide apotheker.

De arme dichter ligt op een aantal matrassen in een hoek van een zolderkamer, boven zijn hoofd hangt een paraplu waarmee hij zichzelf beschermt als de regen, op natte dagen, via een lekkend dak binnen komt druppen. Bij de haard liggen pakken met eigen schrijfwerk als brandstof. Alexandra Matzer schrijft dat Spitzweg in plaats van een kunstenaarsgenie een figuur afbeeldt die medelijden opwekt. Arm, anti-burgerlijk maar geïnspireerd. En ik denk dat ze gelijk heeft als ze schrijft; “slechts na aandachtig beschouwen en noodzakelijke empathische ontvankelijkheid komt Spitzweg’s maatschappij kritiek naar voren”. Een vermoeden dat de slaapmuts zou kunnen verwijzen naar de Jacobijnse muts, naar revolutionaire gevoelens, blijft een hypothese. Vanuit onze tijd en in vergelijking met het sociaal realisme oogt het doek romantisch en dan de typisch Duitse Biedermeier variant er van. ( 1)

In 1844 wordt in München het tijdschrift ’Fliegende Blatter’,opgericht, ook Spitzweg tekent caricaturen voor het blad. Hij verdiept zich in de satirische werken van Franse tekenaars als Daumier en Grandville. Maar dat er ook sprake is van een wisselwerking blijkt uit de variant op ‘de arme dichter’ die Daumier in 1847 tekent voor Le Charivari (26 mei 1847). De titel luidt; Brigand de propriétaire… qui ne veut me faire faire des réparations qu’au beau temps !… ( De huiseigenaar is een echte dief, het lijkt er op dat hij het dak alleen wil repareren als het mooi weer is).

Er zijn veel overeenkomsten met ‘der arme Poet’ maar Daumier tekende geen Pauvre Poète, er ligt wel een boek maar geen pen, deze arme man heeft echt wel iets anders aan zijn hoofd. In de volgende afbeelding wordt Daumier’s ‘dichter’ opgenomen in een groter verhaal.

Edmund Texier, afbeelding uit ‘Tableau de Paris’ uit 1852. Dwarsdoorsnede van een Parijs gebouw, de economische status van haar bewoners wordt per verdieping getoond.

In 1850 protesteerden vele Parijzenaars tegen het plan van Baron Hausmann,( bijnaam ‘artiste démolisseur’ de kunstenaar-sloper ), om langs de boulevards gelijkvormige gebouwen van vijf verdiepingen te zetten met dezelfde gevels. Ze beweerden dat de gelijke gebouwen aan de stad een saaie en eentonige aanblik zouden geven. Hausmann wist de autoriteiten te overtuigen en er werden honderden van deze woningen gebouwd. De spotprent toont het interieur van een van deze gebouwen. “Op de begane verdieping laat de kokkin haar zogenaamde neef proeven van de soep, Madame de conciërge danst op de tonen van de piano bespeeld door haar dochter die aan het conservatorium studeert. Deze wil zoals ‘tout le monde’ kunstenaar worden. Op de verdieping erboven doet mevrouw een dutje terwijl meneer zich uitrekt en ze wachten op bezoek. Alle luxe van de wereld , en men verveelt zich! Op de tweede verdieping zien we de rijkdom van het gelukkige huwelijkse bestaan, vader, moeder, kindjes en speelgoed. Op de derde verdieping komt de huiseigenaar de achterstallige huur opeisen. Op de vierde een arbeider zonder geld en kunstenaars die met de voeten stampen om warm te blijven( ook gebaseerd op en litho van Daumier). En de filosoof mijmerend onder de dekens, broedend op ‘un ouvrage palingénésique ’ terwijl boven zijn hoofd een paraplu hangt die hem beschermt tegen het lekkende dak. ( 2)

Een ‘Ouvrage palingénésique ’, wat een mooie term! De herkomst van het moeilijke woord is ‘wedergeboorte’. Een fenomeen waarmee veel kunstenaars bekend zijn. Weer geen megasucces, weer geen verkoop, weer geen kritieken, zelfs geen naamsvermelding! Terug in je atelier moet je jezelf weer opnieuw uitvinden, verbeteren, wat je doet nog sterker verbeelden, je moet je ziel onderzoeken en de noodzaak van je kunstenaarschap opnieuw bevechten en dan herboren en met nieuwe werken naar buiten komen waar men ‘deze keer écht niet omheen kan!’

Op de zijkant van de binnendoos van Chris Ware’s sensationele Building Stories staat een kleine tekening van een van de hoofdfiguren die verzucht ; “I don’t think you can make yourself into an artist…you just have to be born that way, like being gay, or something…that was my problem, I think…I was always just art-curious” ( 3)

Terug naar een echte dichter, Baudelaire. Op bladzijde 67 van de dissertatie die Linda Nochlin in 1963 schreef als besluit van haar studie,( 4) en die ik zomaar vond in de onvolprezen mediatheek van Fontys Hogeschool der Kunsten in Tilburg, lees ik, in relatie tot het portret dat Gustave Courbet van hem maakte; “…maar om Baudelaire zo concreet mogelijk weer te geven op dit specifieke moment in zijn leven( waarschijnlijk de tijd waarin de verarmde dichter bescherming vond in een geimproviseerd bed in Courbet’s studio). Arm of niet, weerbaar is Baudelaire zeker. Manet diep geraakt door de massale kritiek die de inzending van Olympia teweeg brengt schrijft hem in 1865 het volgende;” Ik zou willen dat je hier was, beledigingen regenen op me neer als hagelstenen. Ik zou zo graag jouw mening horen over mijn schilderijen, want dit gebrul vermoeit me en het is zo duidelijk dat ik wordt misbegrepen en dat men fout zit”. Baudelaire had op dat moment al een flinke veroordeling voor ‘Les Fleurs du Mal’ op zijn conto, 300 Francs boete en de censuur voor komende edities van 6 van zijn verzen. Hij antwoordt Manet; “ Ik moet je eens aanspreken over jezelf. Wat je eist is zo dom. Men maakt grapjes over je, die ergeren je, iemand doet je recht enz.enz. Denk je nou echt dat je de eerste man is die met deze kwestie te maken krijgt? Ben jij een groter genie dan Chateaubriand of Wagner? En zij zijn zeker door de mangel gehaald en toch gingen ze daar niet aan dood. En om je geen aanleiding tot borstklopperij te geven zal ik je vertellen dat deze mannen voorbeelden zijn, ieder op zijn eigen gebied en in een zeer rijke wereld, terwijl jij nog slechts de eerste bent in een kunst in een staat van verval” ( 5)

De dakloze dichter

Jehan Rictus ( 1867-1933), echte naam Gabriel Randon, kwam als 17 jarige op de straat terecht te midden van de andere daklozen van Parijs. Veel later vertaalde hij zijn ervaringen in gedichten die werden gebundeld onder de titel ‘Les Soliloques du Pauvre’( de alleenspraak van de arme). Hij spreekt over een laatste droom over een warm verblijf, over de armen van een vrouw, en het leven van de armen, in een stijl die hun spreektaal probeert weer te geven door letters in te slikken, en het gebruik van volkstaal, enzovoort. Hij benadert zijn lot met melancholie, verbittering en woede maar ook met humor. Er is een Engelse vertaling van zijn werk bekend ( 6) maar het is moeilijk om aan meer dan dit feit te komen. Maar het is heel mooi om de gedichten uit te spreken en me met het ritme mee te laten voeren, zoals ik deed met een gedicht dat Espoir heet, een fragment:

De taal heeft een ritmisch dwingende ruwheid, ik lees dat hij in zijn latere leven succes kreeg als chansonnier in de cabarets. En het is een album uit 2017 van de Franse rapper Vîrus die de taal en haar noodzaak en actuele zeggingskracht voor me opent, luister naar zijn versie van ‘Les Soliloques du Pauvre’ en laat je meevoeren. https://www.youtube.com/watch?v=w7ui66Elalw

Om een grote historische cirkel te maken, tot besluit strofe 26 uit ‘het Grote Testament’ van François Villon uit 1461

Bronnen

(1) https://artinwords.de/carl-spitzweg-leben-werk/

(2)https://gallica.bnf.fr/ark:/12148/bpt6k2058533/f6.image.r=texier+tableau+de+paris.langFR Tekst vertaald vanaf pagina 65 van het eerste deel.

(3) https://www.telegraph.co.uk/culture/books/bookreviews/9571426/Building-Stories-by-Chris-Ware-review.html , foto door Julian Andrews. Doe jezelf een immens plezier en koop die box, hij is nog steeds beschikbaar en kost nog geen 40 euro!

(4). “The development and nature of Realism in the work of Gustave Courbet; a study of the style and its social and artistic background, Linda Nochlin 1976. ( Outstanding dissertations in the fine arts) Originally presented as the author’s thesis, New York University 1963”. (Een geweldige vondst uit de even zo geweldige mediatheek van Fontys Hogeschool der Kunsten, Tilburg. Onderwijsmanagers besef nou eens dat het helemaal niet erg is als boeken staan te verstoffen c.q. meer dan 2 jaar niet zijn uitgeleend, het is misdadig om oneigenlijke motieven te verbinden aan rustende kennis).

(5) Olympia, Paris in the Age of Manet, Otto Friedrich, Aurum Press Ltd 1992, pagina’s 25-26.( eigen vertaling)

(6) Herbert W. Kitson ‘Les Soliloques du Pauvre’. ( University Press of America, 1982)

(7) http://www.florilege.free.fr/jehan-rictus/les_soliloques_du_pauvre.html Theophile Alexandre Steinlen was tijdens mijn opleiding tot illustrator een van mijn helden, wie Steinlen zegt zegt ‘kat’. Als je je verdiept in zijn werk blijkt dat hij naast het decoratieve gebruik van de kattenlijven niet ongevoelig was voor de misstanden van zijn tijd.

( 8) François Villon Het Grote Testament, vertaald door K.J.A.Janson, Het Spectrum Utrecht-Antwerpen, 1961